'Winkelen' is gepubliceerd in BK-Informatie nr.2002-2

 

winkelen

 

In het centrum van Rotterdam ligt de Beurstraverse die door iedereen de Koopgoot wordt genoemd. Dit winkelcentrum figureert als achtergrond in een reclame van de ABN Amro. In deze commercial flierefluit een vrolijk meisje door de Koopgoot. Ze vertelt de kijker over winkelen en sparen, en over hoe makkelijk dat is. Het meisje beweegt steeds een beetje sneller dan de camera. We zien haar van boven, van onderen en van opzij, totdat ze tegen de pinautomaat van de ABN Amro opbotst; niet hard, het doet geen zeer. Daarna winkelt ze weer verder om uiteindelijk heupwiegend, en met vier volle winkeltassen in beide handen van de camera vandaan te lopen.

Vorig jaar heb ik in en rondom de Koopgoot een aantal performances uitgevoerd. De performances bestonden uit kleine aanpassingen in het gedrag van reeds aanwezige personages. Ik ben gefascinneerd door de Koopgoot omdat het open en bloot in de stedelijke openbare ruimte ligt; maar dat er tegelijkertijd andere gedragcodes gelden. Waar men in de openbare ruimte in verschillende gedaantes aanwezig kan zijn —men is wandelaar, passagier, toerist, skater, actievoerder etc.- daar wordt men in de Koopgoot als een en dezelfde personage aangesproken: als consument. Winkelcentra als de Koopgoot zijn ‘af’; het dagelijks leven dat er plaatsvindt is een spel waarvoor het script al voor de bouw van het winkelcentrum is geschreven.
In een van mijn performances waren twee acteurs verkleed als beveiligingsagenten die een Big-Mac menu aten; ze zaten op een bankje onverschillig naar de voorbijgangers te kijken. De acteurs waren identiek aan de beveiligingsagenten die er werkelijk in functie waren. Ik vond het belangrijk dat twee personages met een andere funktie en verantwoordelijkheid een handeling en houding van het winkelpubliek overnamen. Niemand zag het verschil tussen de acteurs en de werkelijke beveiligingsagenten; de voorbijgangers wensten de acteurs smakelijk eten en een meisje waarschuwde hen dat een jongen hen aan het filmen was; dat was ik, om het hoekje gezeten, aan een tafeltje van een lunchroom.

De performance werd niet als een theatrale act gezien en aanvankelijk wist ik niet zo goed wat ik daarmee moest. Wel wist ik dat aan iets wat wél opzichtelijk geënsceneerd is, geen andere betekenis wordt toegedicht dan al het andere wat in een winkelcentrum is te zien: alles in een winkelcentrum is reeds geënsceneerd. Zoals men in een bioscoop genoeglijk achterover leunt in de wetenschap dat de film fiktie is, en in een museum veronderstelt dat al het gebodene kunst is, zo weet men in een winkelcentrum dat alles consumeerbaar is. Niks in een shopping mall heeft hierdoor meer of minder betekenis dan het andere: alles wat binnen deze omgeving zichtbaar is blijft betekenisloos totdat men het toeëigent, totdat men het bij de kassa afrekent en mee naar huis neemt. Wat niet gepresenteerd is wordt aan het oog onttrokken: in het winkelcentrum bij de Koopgoot treft men geen lossende vrachtwagens, straatverkopers, nare luchtjes of afval. De winkelsurveillanten eten hun lunch in de kantine.

Ik heb een tijdje bij de beveiligingsdienst in de Bijenkorf gewerkt en daar heb ik het genoegen gehad om de bewakingsmonitoren te bekijken: ik kon elke hoek van het warenhuis bekijken door de talloze camera’s op afstand te bedienen. Zelf zat ik op een stoel in het donker naar de beelden te staren.
De ervaring van publiekelijk zijn gaat gepaard met een zekere oplettendheid, wanneer men zich onder de mensen begeeft dan kijkt men en wordt men bekeken. In winkelcentra wordt deze alertheid genivelleerd tot een ervaring die gedeeltelijk buiten het lichaam plaatsvindt: de hedendaagse shopper, zoals het meisje van de ABN Amro, wordt gezien zonder zelf te kijken, en de beveiligingsagent zit onderuitgezakt naar haar te kijken zonder zelf gezien te worden. In strikt theatrale bewoordingen is ook de verhouding tussen speler en publiek omgedraaid: de speler in de spotlight weet dat in het donker van het theater een volle zaal met mensen alleen naar hem kijkt. Het publiek in het winkelcentrum weet dat slechts één beveiligingsagent hen allemaal ziet.

Vroeger had de eigenaar van de fotowinkel in het dorp waar ik opgroeide een camera en monitor in zijn etalage opgesteld. Tussen de foto’s van verse lokale bruidsparen zag je jezelf op een kleine zwart wit monitor. Elke keer als ik passeerde moest ik er op reageren: uit een speelse verwondering over de gelijktijdigheid van de bewegingen op straat en de registratie op het beeldscherm, en de klaarblijkelijke willekeur van beelden die op de monitor verschenen.
Nu hangen er in bijna elke winkel in winkelcentra monitoren bij de ingangen; het winkelend publiek treedt de winkel binnen maar besteedt er geen enkele aandacht aan. In de meeste winkels is er geen surveillant die deze beelden bekijkt, laat staan dat de beelden opgenomen worden. Kennelijk moet het de indruk wekken dat men bekeken wordt. Het is beeldmuzak. Niemand ziet de beelden.
Het is echter niet zo dat winkelcentra onverschillig zijn ten opzichte van video-opnames; het is verboden om zonder toestemming in de Koopgoot te filmen. Tijdens sommige performances stond ik daarom op straatnivo opgesteld met mijn camera gericht op de Koopgoot. Een beveiligingsagente sprak mij daar op aan en gebood mij op te houden met filmen. Ze zei dat de winkeliers in de Koopgoot niet wilden dat hun klanten gefilmd werden. Ik zei dat ik me niet in de Koopgoot bevond. De discussie duurde een tijdje: geldt een filmverbod voor de plek waar ik mij bevind tijdens het opnemen, of voor het gebied waar ik mijn camera op richt?

Ik richtte mijn camera op zeven mannen die deden alsof ze voor een winkel stonden te wachten. Ze drentelden wat rond, keken af en toe in de etalage en hielden de voorbijgangers in de gaten. Ik ben bijzonder gecharmeerd door personages die aanwezig zijn in een winkelcentrum maar die niet winkelen. De niet-deelnemers aan het winkelen hebben niets om handen; zonder de dynamiek van het shoppen is er weinig te doen. Er is geen verkeer of straatleven wat om commentaar vraagt — er zijn geen handreikingen om een andere rol te spelen dan die van een shopper.

In de film The Truman Show bevindt de hoofdrolspeler zich zonder dat hij het weet zijn hele leven in een televisie soap universum. Hij is omringd door figuranten. De hoofdrolspeler Truman wint aan sympathie wanneer hij ongerijmdheden in de enscenering begint op te merken, en vooral wanneer hij de set ontmaskert als hij onverhoeds ruimtes binnentreedt die niet voor hem toegankelijk zijn: achter het bordkarton treft hij halfslapende figuranten aan — spelers die uit hun rol zijn gevallen.
De bezoekers van een winkelcentrum bewegen zich vergelijkbaar zoals figuranten op een filmset dat doen. Op een filmset doen figuranten alsof ze doelgericht een straat oversteken, geïnteresseerd de krant lezen in een volle metro en onvermoeibaar rondjes joggen in het park. In verschillende verschijningen speelt men dezelfde rol - men speelt figurant. In winkelcentra worden allerlei aankopen gedaan die een individueel personage vorm moeten geven, maar tijdens deze act van het winkelen wordt een groepskarakter gecreëerd; de shopper weet zich omringd door talloze figuren die hetzelfde spel spelen. Degene die in een winkelcentrum niets koopt, en gewoon maar een beetje rond blijft hangen, speelt al gauw de hoofdrol.

Tussen de V&D en de Koopgoot zie ik weleens een man staan. Hij ziet eruit alsof hij een zwervend bestaan leidt. In beide handen draagt hij vier plastik winkeltassen; hij heeft de tassen binnenstebuiten gekeerd. Er zit nauwelijks iets in de tassen; een beetje uitgerekt hangen ze naast hem. De man kijkt voortdurend naar de lucht; daar gebeuren dingen die blijkbaar alleen hij ziet. Soms doet hij een paar stappen opzij en dan blijft hij weer stilstaan. Zijn schouders hangen omlaag en zijn nek steekt een beetje vooruit. Af en toe mompelt hij wat in zichzelf. Soms denk ik dat hij wil gaan vliegen; dat hij wild fladderend met zijn winkeltassen een poging gaat ondernemen. Maar dat gebeurt natuurlijk niet. Hij geeft er de voorkeur aan om tussen zijn publiek te verblijven, zijn publiek dat hem niet ziet staan.

Robin van ’t Haar

27 februari 2002

 

naar boven